Kabeljauw.

De Kabeljauw komt voornamelijk uit de Atlantische oceaan.

 De kabeljauw is een vissoort met vochtig, roomwit, stevig vlees dat na koken in vlokken uiteen valt.
De vis leeft in de koude wateren, vooral in het noordelijke deel van de Atlantische oceaan.
De vis wordt al sinds de prehistorie gegeten en werd in gedroogde vorm (stokvis) door de Vikingen meegenomen op hun zeereizen.
Het is de eerste vissoort geweest die commercieel gevangen en gezouten werd.
kabeljauw

Beschrijving.

De kabeljauw heeft een lengte tot 150 centimeter maar meet gemiddeld 80 à 90 centimeter.
De volwassen vis heeft een olijfgroene en bruingevlekte rug, een witte buik en een lange kindraad.

Andere namen.

Jonge kabeljauw wordt dors of gul genoemd. Gedroogde kabeljauw noemt men stokvis of klipvis.
Skrei is de naam die hij krijgt in de periode tussen december en april wanneer hij vanuit de Barentszzee naar het noordwesten van Noorwegen migreert om te paaien.
De naam Skrei is afgeleid van het Oud-Noorse woord skrida, dat zoiets als ‘reizen’ betekent.
Stokvis- en klipvis zijn niet te verwarren met wat men in het verleden moluwe, labberdaan of abberdaan noemde.
Deze namen duidden eertijds de normaal tijdens een “vaart ter zoute” gevangen en ingezouten kabeljauw aan.
Daarentegen werd de vis die de laatste dagen van een reis gevangen werd en juist genoeg werd gezouten om hem in de haven te brengen landorium of ‘de vis van de laatste trek’ genoemd.
Gefrituurde stukken filet van de vis wordt wel kibbeling genoemd.
Vroeger werd kibbeling van de wangen van de kabeljauw gemaakt.
En een gefrituurde filet, waarbij het ruggengraatje de twee filets verbindt, noemt men in Nederland ook wel een lekkerbek, hoewel een lekkerbek ook van andere vissoorten wordt gemaakt, zoals wijting.